Maar toen we aankwamen…
stond daar…
dezelfde auto.
Op de oprit.
Mijn maag draaide om.
Dat betekende maar één ding.
De auto die we net hadden verlaten… was niet die van mijn zoon.
Toen ging de voordeur open.
Mijn man stond daar. Bleek.
“Je hebt erin gereden, toch?”
En achter hem verscheen mijn zoon.
Zijn gezicht veranderde meteen.
“Mam… waar is die auto?”
“Winkelcentrum… waarom?”
Hij slikte.
“Die auto… is niet van mij.”
“Van wie dan?”
“Van Jake.”
Zijn beste vriend.
Zijn zakenpartner.
De man die we vertrouwden.
En toen vertelde hij de waarheid…
Jake had geld gestolen.
Honderdduizenden euro’s.
En hij probeerde mijn zoon erin te luizen.
Die auto?
Een kopie.
Zelfde model. Zelfde kleur.
Om hem te laten lijken alsof hij ergens anders was.
Om hem te laten verdwijnen… als het moest.